Mijn broers blijken tweede generatie oorlogsslachtoffers

Mijn vader heeft na zijn kindertijd in het Jappenkamp zijn hele leven gevochten tegen autoriteiten. Toen ik op zijn negenenzeventigste zijn huis ontruimde en hij zijn leven leek te gaan eindigen zoals hij begon: in gevangenschap, trof ik wel 100 meter stampvolle ordners aan, waarvan bijna de helft rechtbankstukken van zaken waarin hij zich onrechtvaardig behandeld voelde. Mijn halfbroer, die ik pas tijdens de ontruiming wat beter heb leren kennen, is tweede generatie kampslachtoffer, gekleineerd door een ongeleid projectiel als vader, in het kamp zelf geknecht, die levenslang de droom koesterde een grote toean te zullen worden. Als het hem tussen zijn faillissementen door een jaar of 20 voor de wind ging, toonde hij dat opzichtig door groot te gaan wonen en links en rechts de weldoener uit te hangen. Dat leidde tot misbruik van vertrouwen en een vader die nog achterdochtiger werd dan hij al was. Zijn leven was een groot complot van overheden, zakenrelaties, medewerkers, banken en curatoren die tegen hen samenspanden. Ondertussen zei hij altijd tegen ons: “Mijn leven is één grote vakantie”. Zijn tragiek was dat hij een slim uitvinder, maar naïef zakenman was en bleef.

Vliegschool en filters
Zo had hij een redelijk succesvol concept om piloten voor de grote luchtvaart op re leiden, maar kocht hij zowat op z’n eentje de failliete boedel die Air Holland heette. Zijn vliegschool leverde per jaar een paar ton winst op, een ander bedrijf dat waterzuiveringsfilters bouwde, kostte hem alleen maar geld, dus kocht hij als heuse “tuan basar” Air Holland door de hypotheek op zijn inderdaad kapitale huis te verhogen. Dat ging goed tot de luchtvaartmarkt en met name zijn “Amerikaroute” instortte na de aanslagen van 11 september 2001. Alles wat met luchtvaartopleidingen te maken had, uit het buitenland kwam en een “Green card” (verblijfsvergunning) nodig had, was na Mohamed Atta op voorhand verdacht. Mijn vaders zakelijke imperium stortte voor de derde keer in, begin jaren tachtig gebeurde dat voor de tweede keer toen hij in vastgoed deed, panden verbouwde, verbouwde en verbouwde en nooit iets verkocht. Toen in 1980 de huizenmarkt instortte was het te laat. Halverwege de jaren zestig ging hij voor het eerst failliet toen hij in boenwassers deed. Binnen de familie gaat daarover het verhaal dat hij in al zijn goedheid een zwerver die op zijn pad kwam in het nieuw stak om voor hem vertegenwoordiger te worden en dat deze zwerver er met zijn hele hebben en houwen vandoor ging, inclusief mijn vaders auto. Maar misschien is mijn vaders eerste faillissement wel gewoon te wijten aan de stofzuiger die gemeengoed werd of de introductie van vinyl vloerbedekking, waardoor de markt voor vloerwrijvers enorm kromp.

Eindverantwoordelijk
Aan mijn keukentafel, dat wil zeggen in een omgeving waar hij mij niet buiten kon zetten, heb ik hem gewaagd te vragen, waarom hij elke 20 jaar een keer failliet is gegaan, en zijn jongere broer, die ook zakenman was, nooit. Hij had daar geen antwoord op, behalve omstandigheden buiten hemzelf, in de eerste plaats banken die onterecht de geldkraan dichtdraaiden en in de tweede plaats onbetrouwbaar personeel. Na voorzichtig vissen naar zijn eigen aandeel, gaf hij tenslotte schoorvoetend toe dat hij als directeur natuurlijk wel eindverantwoordelijk was en niet zijn personeel.

Handwerk
Als het moeilijk werd en hij zag geen uitweg meer, dan ging hij, in plaats van een oplossing bedenken met zijn personeel, iets doen wat hij het liefste deed; iets eenvoudigs. Handwerk, in plaats van nadenken: de riolering vernieuwen, extra stopcontacten aanleggen in de fabriekshal waar hij zijn proeffilters bouwde en waar hij zelfs een vliegsimulator in elkaar zette. Eentje op een hydraulisch onderstel, waarmee zelfs een val in een luchtzak kon worden nagebootst. Hardwarematig ongekend voor het midden van de jaren negentig en peperduur, temeer hij er een Australiër voor liet invliegen, De man kwam en ging alsof het een ritje met de streekbus betrof. Dat moet kapitalen hebben gekost.

Campingbaas
Met z’n handen werken, dat was wat mijn vader het liefste deed. Het herinnerde hem waarschijnlijk aan de enige zakelijke activiteit waaraan hij niet failliet ging: campingbaas zijn. Dat deed hij in de jaren zeventig. Als kind kende ik hem vooral als man die in overall geulen stond te graven, pvc-bochtjes lijmde en palen in de grond sloeg om regenbestendige buitenstopcontacten aan vast te schroeven.

Ook zijn leven als campinghouder werd gekenmerkt door eigenzinnigheid. Hij begon zijn eerste camping zonder dat hij daarvoor de juiste vergunningen had en alleen omdat de gemeente procedurefouten had gemaakt, kon hij doorgaan met zijn activiteiten. Het waterleidingbedrijf omzeilde hij door een 100 meter diepe waterput te laten slaan. Er kwam inderdaad Veluws drinkwater naar boven, maar het bleek zwaar ijzerhoudend. En om de campinggasten van stromend water te kunnen voorzien moest er 24 uur per dag een zware pomp draaien.
In de elektriciteitsbehoefte werd voorzien met behulp van diesel aggregaten. Zo spaarde mijn vader een paar ton uit voor het aanleggen van een hoofdleiding naar zijn camping, Omdat de apparaten een hels lawaai maakten, was hij wel gedwongen een soort bunkers te bouwen waar ze geluidsarm konden worden ingezet. En natuurlijk verbruikten ze 24 uur per dag diesel. Maar met het milieu nam men het in de jaren zeventig niet zo nauw, zelfs niet op de Veluwe. Een groot nadeel was dat de aggregaten niet stabiel stroom leverden. Als je een plaat draaide, jengelde de pickup als de pest en voor de tv’s uit die dagen was een wisselende stroomvoorziening ook niet best. De camping was door het technisch knutselwerk van mijn vader wel zowat zelfvoorzienend. Ook hier was hij graag weldoener. Toen hij zijn camping voor goed geld kon verkopen aan een investeerdersmaatschappij deed hij dat niet, omdat de investeerder niet wilde garanderen dat de huurprijzen van de standplaatsen slechtst gematigd zouden stijgen. In plaats daarvan bedacht hij een coöperatieve constructie, waarbij de staanplaatshouders de camping gemeenschappelijk konden kopen. Dit scheelde mijn vader de helft in opbrengst. De investeerdersmaatschappij zou hen het dubbele hebben gegeven. Als dank werd mijn vader door de bewoners, annex coöperatieve eigenaars van de camping gezet die hij zelf was begonnen.

Behalve de campings, mijn vaders latere vliegschool en het ballonvaartcentrum dat vanaf het eind van de jaren negentig gevestigd was, leverden geen van zijn ander projecten ooit geld op.

Weldoener
Behalve de periodieke faillissementen, vormde het weldoenerschap een rode draad in zijn leven. Soms ging dat heel erg fout, zoals met de zwerver en de vloerwrijvers. Zijn drang om goed te doen en vooral om als weldoener gezien te worden, leverde ook veel goeds op. Zo richtte hij een stichting op die middenstanders hielp bij conflicten met hun huisbankier, ondersteunde hij zijn leerlingen bij sollicitatietrainingen en richtte hij een fonds op om leerlingen van zijn vliegschool financieel bij te staan als zij of hun ouders de vliegopleiding, niet of naar ten dele zelf konden financieren. Toen zijn derde faillissement aanstaande was, plunderde hij dit fonds om zijn faillissement af te wenden. Waarschijnlijk met de intentie om dit geld ooit terug te betalen, als zijn vliegschool de gewenste doorstart had gemaakt en hij de leerlingen die wel hadden betaald, maar niet in opleiding konden, alsnog op weg kon helpen. Ik denk dat mijn vader volzat en zit met goede intenties. Intussen heeft hij in drie faillissementen wel vele tientallen relaties financieel gedupeerd, terwijl hij zelf tot voor kort op behoorlijk grote voet leefde. Vooral door mooie verhalen te vertellen aan mensen die hem vertrouwden over miljoenen die hij tegoed zou hebben. Zo leende hij hier vijfduizend Euro, daar 10.000, liet een huurschuld achter van 15.000 en dat 10 jaar lang. Ik zat eens met mijn broer en mijn vaders vriendin in een horecagelegenheid in Scheveningen, toen ik me realiseerde dat mijn vader aan een vriend van hem, aan mij, aan zijn verhuurder en aan de zoon van zijn vriendin in totaal tenminste 50.000 Euro schuldig was. En dat is alleen maar wat ik bij toeval weet. Het kan in totaal om een miljoenenschade gaan die mijn vader heeft aangericht. Privé hou ik al rekening met een consumptieve schuld, aan links en rechts lenen van minstens anderhalve ton. Daarnaast blijft hij iemand die dolgraag weldoener is. Er is me een verhaal bekend, waarschijnlijk van na zijn eerste faillissement in de jaren zestig. Toen hij weer boven Jan was, zou hij een zaaltje hebben gehuurd waar hij al zijn toenmalige schuldeisers in Verenigde Vergadering bijeen liet komen. Hij zou met iedereen cash hebben afgerekend, het verschuldigde bedrag netjes in een envelop, inclusief rente. Dat heeft hij later niet meer gedaan. De zakelijke schuld aan de fiscus en leveranciers bedroeg bij opheffing van zijn faillissement in 2009 misschien wel 3 miljoen Euro. Alleen al een recente brief van de fiscus die ik onder ogen kreeg rept over een teruggave van 53.000 Euro die onverkort is afgeboekt op openstaande schulden. En dan hebben we het nog niet gehad over de kleine drie ton aan terugbetalingen, waartoe de rechter hem veroordeeld heeft.

Levens verwoest
Want enkele ex-leerlingen en hun ouders hebben het niet gepikt en via de rechter een kleine drie ton terug geëist. Met dramatische gevolgen voor mijn vader. En als ik me verplaats in die mensen die gemiddeld ongeveer 75.000 Euro van hem tegoed hebben, dan heeft hij misschien wel levens verwoest. Wie weet hebben enkele gedupeerden hun huis wel moeten verkopen waarvoor ze jaren hebben kromgelegen. Dankzij mijn vader. Ondertussen leek het leven voor mijn vader gewoon een gokhal waar hij zich prettig voelde. Hij liep er rond als een “risicofreudiges” kind. Dat kind dat na zijn achtste jaar geen opvoeding meer heeft gehad en gewoon niet weet hoe het hoort. Hij trok eens aan een handle hier, drukte op een paar knoppen daar en voor de rekening draaide een ander op. Tot het moment dat iemand op zijn tenen stond, slimmer was en hij zich benadeeld voelde. Dan begon hij een rechtzaak, 50 meter papier, de ene rechtzaak na de andere, sinds zijn faillissement pro-deo gevoerd, dus op kosten van de belastingbetaler. En binnenkort is staatssecretaris Teven aan de beurt: over zijn “paspoortpatent”, een onterechte veroordeling en wat niet al. Mijn vader denkt dat alleen al een niet verstuurde, maar aan Teven gerichte brief, de staatssecretaris het politieke leven heeft gered. Mijn vader heeft altijd gelijk.

Ongeleid projectiel
Toen mijn moeder hem in de zomer van1955 ontmoette, was hij in opleiding voor luchtmachtpiloot. Ik denk dat ze als 16-jarig meisje vooral viel voor zijn uniform. Op dat moment moet hij “alleen op de wereld” zijn geweest, hij verbleef als adolescent bij een stel goedwillende vrijgezelle tantes van rond de veertig, Zijn ouders en broers verbleven op dat moment nog op Sumatra. Mijn vader had zich direct na de Tweede wereldoorlog uit de voeten gemaakt naar Nederland. Dat ging ongeveer zo: “Pap, mag ik naar Nederland, als ik een schip vind dat me mee wil nemen? “Ja, hoor jongen, maar dat lukt je toch niet.” Mijn opa vond het niet nodig zijn eigen twaalfjarige zoon serieus te nemen. Een zoon die het Jappenkamp overleefd had en zijn laatste staartje opvoeding rond zijn achtste jaar had genoten. Dat vond m’n vader meer dan genoeg. Natuurlijk vond hij een schip om op aan te monsteren en voor opa zat er weinig anders op een brief te sturen aan “tante Nel” met het verzoek “eigenzinnige Bertje” op te vangen. Het had ook voordelen. Bert zou naar een goede Hollandse school kunnen en het revolutionair explosieve Indonesië verlaten. Net als in het kamp zou Bertje verder op zichzelf aangewezen zijn. De tantes waren van goede wil, maar hadden geen grip op hem. Met als bagage: een koloniale opvoeding tot zijn achtste levensjaar en daarna niets meer, stapte Bertje het leven in, ontmoette een meisje met wie hij sinds kort weer een relatie heeft, had daarna een stormachtige ontmoeting met mijn moeder, en trouwde een paar jaar later toch met een andere vrouw. Mijn moeder was nog minderjarig en mijn vader was op dat moment bijna 21. Dat kon niet. Uit het huwelijk van mijn vader kwamen drie zoons voort, die allen ouder zijn dan ik. Hen werd de weg in het leven gewezen door een ongeleid projectiel; ze werden opgevoed door een man die zelf een opvoeding had gemist. Om in de sfeer van Indonesië te blijven waar zijn roots lagen: hij was een soort apenjong dat na jarenlange gevangenschap weer in een groep soortgenoten werd losgelaten. In sociaal opzicht een experiment dat tot mislukken gedoemd is. Dat is ook maar één reden dat al zijn bedrijven te langen leste ten onder zijn gegaan. Hij kon als opperhoofd en opperaap niet met soortgenoten, laat staan met mensen of werknemers overweg.

Filterconcept
Toen de “tuan basar” voor de derde keer failliet ging, was een ander al met zijn filterconcept aan de haal gegaan. Een verder beste kerel die het idee pikte tijdens een techniekbeurs in de jaren negentig, een verkoopbaar product bouwde; iets dat m’n vader nooit gelukt is, enerzijds omdat hij naar perfectie streefde en anderzijds zijn proefopstellingen wereldwijd neerzette, zodat een medewerker torenhoge kosten maakte voor snoepreisjes, waarbij hij en passant wat kinderziektes en storingen verhielp. Maar mijn vader was een bleef een ongeleid projectiel, dus er zal zelden verslag gedaan zijn van reparaties, laat staan dat er protocollen zijn gemaakt. De “filterdief” betaalt wel elk kwartaal netjes een bedrag aan patentrechten, naar rato van de omzet aan verkochte filters. Zo komt mijn vader, hoewel hij geen enkele pensioenvoorziening heeft, toch aan een redelijk inkomen als je daar zijn AOW en uitkering als oorlogsslachtoffer bij optelt. Maar iemand die gewend was op grote voet te leven, moest desondanks nog flink consumptief bijlenen. Het gezegde “praatjes, vullen geen gaatjes”, ging voor mijn vader niet op. Met mooie verhalen over miljoenenclaims klopte hij oud-vliegleerlingen, zakenrelaties, vrienden en familie her en der geld uit de zak en daarmee dichtte hij dan weer het gat in zijn hand.

Vliegschool
Ondertussen kwam ik geregeld op zijn stijlvolle kantoor aan de rand van Amersfoort en Leusden, met tuin in Engelse stijl, waarvan hij gelukkig niet de kans kreeg om die te slopen, iets dat hij bij zijn woonhuis wel gedaan had om plaats te naken voor een buitenzwembad met ingenieuze zwartgeverfde betonvloer eromheen, waarin verwarmingsbuizen waren verwerkt. De vloer bleek enorme hoeveelheden zonnewarmte te kunnen opslaan, waardoor het zwemwater zo warm werd als handwaswater. Op zijn kantoor schreef ik maandelijks mee aan het leerlingenblad van zijn vliegschool en interviewde daarvoor piloten en aspirant piloten, vaak mensen die een tweede –kanscarrière maakten; van accountants tot timmerlui. Nog op z’n vijfenzestigste verjaardag viel me op dat hij op handen werd gedragen. Een deel van zijn personeel zag ik tijdens de redactievergaderingen voor het luchtvaartblad computerspelletjes doen onder werktijd en enorm lange pauzes houden. En mijn vader vond de amicale sfeer maar wat gezellig. De luchtvaartmarkt raakte in het slop. Maar mijn vader gaf tonnen uit aan een paginagrote advertentie op de binnenpagina van alle Gouden gidsen in Nederland. Hij had een eigen graficus en dtp-er in dienst, die hier en daar ook wat externe opdrachtjes binnenhaalde en voor die tijd peperdure kleurenprinters en een ballonvaartcentrum.

Buitenechtelijk kind
Al zijn bedrijfjes, waarvan zijn luchtvaartschool de grootste was herbergden een duiventil aan personeel van het meest diverse pluimage. Vliegers die hem welgezind waren en er in slaagden ondanks zijn bemoeienis, zijn luchtvaartopleiding te professionaliseren, bijvoorbeeld door sollicitatietrainingen te geven, tot uitvreters, profiteurs en min of meer toevallige voorbijgangers en kennissen van kennissen die een baantje van de grote Tuan en weldoener in de schoot geworpen kregen. In schril contrast met de goede sier naar de buitenwacht, stond de veronachtzaming van zijn eigen zoons. Geen eer te behalen aan zijn eigen vrouw en kinderen, vreemdgaan in een slecht huwelijk was de norm, en de zonen moesten “eerst maar met hun handen leren werken”, dat was hun vader ook nooit slecht bekomen. Op dat moment was hij redelijk succesvol campinghouder. Dus werd het de LTS voor de jongens. Die dans ben ik ontsprongen, doordat ik als buitenechtelijk kind in het gezin van mijn moeder ben opgegroeid. Mijn vader ging er altijd prat op dat hij HTS heeft gehad, maar hij werd zelfs bij de luchtmacht weggestuurd, omdat hij ongezeglijk was, In de hoedanigheid van militair piloot-in-opleiding ontmoette mijn moeder hem en in het vervolg van die ontmoeting kwam ik, terwijl mijn vader vrouw en twee jonge kinderen had, met de derde op komst. Mijn moeder werd ongehuwd zwanger en zo kwam ik als koekoeksjong bij een andere man terecht. Tot m’n twaalfde wist ik niet beter dat de echtgenoot van mijn moeder ook mijn vader was. Zo had ik alleen maar een paar oudere halfbroertjes en jongere halfzusjes. Later besefte ik dat ik zowel het oudste, als het jongste kind ben van twee gezinnen en ook nog enig kind. Maar ik hoefde tenminste niet met mijn handen te leren werken, maar ging studeren. Mijn moeder en stiefvader hadden geen van beiden gestudeerd, naar gunden me dat waar ze zelf niet aan waren toegekomen. Ze faciliteerden niet, niet financieel, niet in kennis, maar legden me ook geen strobreed in de weg.

Tweede generatie kampslachtoffers
Mijn eigen stiefvader was een weeshuisjongen net losse handjes, waar vooral mijn moeder de gevolgen van ondervond. Ze liep geregeld met een blauw oog rond of een opgezwollen wang. “van de trap gevallen”, zei ze dan meestal als een buitenstaander naar een verklaring viste. Alleen haar zussen en wij wisten wel beter. Mij trok hij soms flink aan een oor, of dreigde met huisarrest. Daar liet hij het meestal bij in mijn kindertijd, in mijn pubertijd sloeg hij me nauwelijks meer. Mijn vader ging er later prat op dat het relatief milde optreden van mijn stief, voor zover het mij betrof, te maken had met de waarschuwing die hij mijn stief zou hebben gegeven: “blijf van mijn kind af, anders krijg je met mij te doen”. Ik wist op dat moment nog niet dat ik niet met mijn verwekker in hetzelfde huis woonde, maar ging er vanuit dat de man met wie mijn moeder getrouwd was, ook mijn biologische vader was. Hij heeft mij als baby netjes als zijn zoon gewettigd en ik heb me nooit achtergesteld gevoeld. In tegendeel misschien wel. Hij zag me voor vol aan; in mijn jeugd schaakten we veel samen en hij knutselde en timmerde met me. Hij heeft me zelfstandig leren fietsen, hoewel ik daarmee moeite had en mijn moeder dat maar gevaarlijk voor haar oudste kind en vermoedelijk enige liefdesbaby vond. Ik ben in elk geval geen tweede generatie weeshuisslachtoffer door mijn stiefvader geworden, terwijl mijn halfbroers heel zeker “tweede generatie kampslachtoffers” zijn. Hun vader en mijn verwekker heeft alle initiatief uit hun gedrukt, door ze waarschijnlijk dag in dag uit te kleineren en ze geen verantwoordelijkheid te gunnen, zoals ze hen in het Jappenkamp dag na dag hebben gekleineerd. Mijn vader was een jaar of 10 en de oudere jongens pikten zijn eten af, toen hij van zijn moeder werd weggerukt en tussen de volwassen mannen en de grote jongens

Stalken
Zoals de oudere jongens zijn eten inpikten, zo probeerde mijn vader met de vriendinnetjes van mijn broers aan te pappen. Als ik er logeerde dan viel me op hoe amicaal hij met die meisjes was: Hij maakte seksueel getinte opmerkingen en zocht zogenaamd vriendschappelijk toenadering. Een aai over de bol” werd “rugkriebelen” en ontaarde in steelse streling van borsten en billen onder het mom van “per ongeluk”. Mijn vader zocht de grenzenvan het betamelijke op en ging eroverheen. Hij ging vreemd met de vrouw van een zakenvriend, zelfs als we in huis waren. “Goed voorbeeld doet goed volgen”, zal ik maar zeggen. Hij belde de vriendjes van de jongste vrouwelijke personeelsleden op om ze te zeggen wat voor vreemde vrouw ze aan de haak hadden geslagen, waarmee hij concurrenten probeerde uit te schakelen, liet zijn ex-vrouw stalken en tegen betaling in de gaten houden.

Vreemdgang
Tenminste één leer heeft hij een vriendinnetje van mijn oudste broer verleid, althans dat ik het verhaal dat ik ken. Het meisje was 16 en mijn vader moet 39 of 40 geweest zijn. Hij was tenminste voor één keer gul naar zijn oudste zoon, waar anders de giften, gaven en speelgoed in het gezin van mij en mijn zusjes belandden. Mijn broers konden wel Meccano op hun verlanglijstje zetten, maar ik kreeg het. Zij waren goed voor de cadeau-ideeën: ik voor de ontvangst. Mijn oudste halfbroer mocht op kosten van vader op vakantie. Naar Italië nog wel, samen met zijn moeder en een vriendje. Met het vliegtuig. Het was 1972. Maar mijn vader had zijn handen vrij en dat mocht wat kosten. Over zijn escapade met 16-jarige Jacqueline, terwijl hij (ongelukkig?) getrouwd was, sprak hij later met mij redelijk openhartig. Het moet één van de mooiste ervaringen uit zijn leven zijn geweest, na de ontmoeting met mijn moeder. Hij vertelde er echter nooit bij dat Jacqueline het vriendinnetje van zijn oudste zoon was geweest, dat hoorde ik pas veel recenter van mijn halfbroer zelf.

Iets dergelijks heeft hij later nog eens geprobeerd bij een van de eerste serieuze vriendinnen van mijn andere broer. Hij mocht op kosten van vader lekker aan auto’s gaan sleutelen in Singapore en vader zag zijn kans schoon om Marian uit te nodigen voor wat gezellige hotelovernachtingen tijdens een zakelijk tripje. Ze trapte niet in de avances en betoonde zich, aldus de lezing van mijn broer, teleurgesteld in de bedoelingen van vader. Zij zei hem als een “vaderfiguur” te beschouwen.

Kampverhalen
In het kamp is geprobeerd mijn vaders wil te breken, of hij het leven er bij zou inschieten, deed er niet toe. Zeker in het mannenkamp, was het ieder voor zich. Mijn vader vertelde lange tijd maar één verhaal van het kamp; namelijk dat van die oudere jongen die altijd zijn eten inpikte en die hij daarom “had vermoord”. Hij vertelde dat verhaal altijd met trots: “Oog om oog, tand om tand”. De “moord” hield in dat mijn vader als jochie een klodder poep met dysenterie-bacillen door het eten zou hebben geroerd. Daaraan zou de “etensdief” na een paar dagen gestorven zijn. Tientallen jaren later, nadat mijn vader een herseninfarct had gehad, kwamen er meer verhalen los, die soms veel indruk op me maakten. Hij huilde er soms bij en leek eindelijk aan verwerking toe te komen. Over mijn statige en sterke oma, bijvoorbeeld. Vrouw van een beambte in Nederlandse dienst op Sumatra, die haar kind bij zich wilde houden in het vrouwenkamp, hoewel mijn vader de leeftijd kreeg om naar het mannenkamp te gaan. Volgens mijn vader weerstond mijn oma daarbij zelfs de Japanse kampcommandant. Ze zou hevriendinnetjen hebben toegevoegd: “Als je mijn kind wilt komen weghalen, dan zul je eerst mij moeten doodschieten”. De kampcommandant zou met z’n armen slap langs zijn lichaam afgedropen zijn. Het betekende enig uitstel van een toch onvermijdelijke verhuizing naar het mannenkamp. Dat deed mijn stoere oma Pander op wie ik en profiel ontzettend veel lijk. Zelfde neus, zelfde neusbrug, zelfde voorhoofds- en kinwelving. De tropenjaren op Sumatra, tot in 1957 de gedwongen repatriëring plaatshad en het kamp, hebben hun tol geëist. Mijn opa ken ik alleen van foto’s en een tekening, mijn oma heb ik als kind een paar keer ontmoet. Ze zijn niet oud geworden, vermoedelijk gesloopt door een chronische leverkwaal. Van mijn vader kan ik me herinneren dat hij tot zijn 45-ste voortdurend geelzucht had, wellicht als gevolg van Hepatitis. Hij was voortdurend aan de prednison en kreeg halverwege de jaren zeventig de mededeling dat hij nog maar een paar jaar te leven had. Hij is inmiddels 35 jaar verder.

Een ander verhaal uit het kamp vertelde hij huilend en kwam los nadat hij een overlijdensadvertentie onder ogen had gekregen van een 92-jarige man. “Die naam kende hij uit het kamp”, meende mijn vader. Het was de man, die mijn vader uit het mortuarium had gehaald, omdat de man als enige doorhad dat het 10 of 11-jarige kind dat mijn vader toen was, nog leefde en alleen verzorging nodig had een geen graf. Het verhaal dat mijn vader voor dood in het mortuarium was gedumpt, schokte me veel meer dan mijn vaders “kampmoord”, of wat daar van waar is, want wist nooit eerder dat hij zo dicht bij de dood is geweest.

Don Quichote
Mijn vader heeft zich niet klein laten krijgen, maar had er ook geen moeite mee op de schouders van anderen te klimmen om ze groter te lijken dan hij werkelijk was. Hij klom zelfs op de schouders van zijn eigen zoons en trapte ook nog naar beneden. Maar hij likte nooit maar boven, maar verzette zich tegen alles en iedereen van wie hij vond dat ze een complot tegen hem beraamd hadden. Als Don Quichote in levende lijve. Tegen de Golfclub die zijn huis wilde hebben als clubgebouw en zelfs tegen de curator die in het kader van mijn vaders laatste faillissement voor tonnen goederen onrechtmatig zou hebben verkocht. En mijn vader, die zich de laatste tien jaar op kosten van de belastingbetaler een ongeluk procedeerde, zodanig dat dat zijn corebusiness werd, won ook wel eens een rechtzaak. Als het om veel geld ging, vroeg de tegenpartij een enkele keer faillissement aan en maakt vervolgens een doorstart. En mijn vader kon naar de geclaimde miljoenen fluiten. Dat is tenmiste wat hij vertelt.

Op grote voet
Ook na zijn faillissement is hij doorgegaan op grote voet te leven. Met mooie verhalen over alle rechtszaken die hij nog zou winnen en de patenten die geld zouden gaan opbrengen, moet hij zeker 10 jaar lang vele tienduizenden Euro’s hebben geleend, zowel bij ex- zakenrelaties, vrienden, familie en bij mij. Alleen om met AOW, een tegemoetkoming als kampslachtoffer, een patentopbrengst, maar zonder enige pensioenvoorziening, zijn consumptieniveau als “grote meneer” enigszins op peil te kunnen houden. En mijn vader is in zijn eigen werkelijkheid gaan geloven en kon het anderen in zijn omgeving goed vertellen.

Bedrieger
Mijn vader zou een goeie zijn voor het tv-programma ”Opgelicht”, de ene helft aan behandelde zaken bestaat uit onverbeterlijke oplichters, de andere helft uit fantasten die in hun eigen werkelijkheid verstrikt zijn geraakt. Tot de laatste categorie “fantasten die te goeder trouw hun gehele sociale omgeving duperen”., behoort mijn vader en dat fantast-zijn is alleen maar erger geworden na zijn herseninfarct. Naast fantast is hij ook al zijn leven lang een complotdenker, die zich als 6-jarige al ongezeglijk het slachtoffer voelde van zijn ouders. Misschien vertrouwde hij als kind alleen de Indische “Baboe” maar. Ten slotte is hij levenslang iemand die tegen windmolens vocht. Een mooi voorbeeld ontleen ik aan zijn laatste faillissement in het eerste decennium van deze eeuw. In de nasleep ervan werd hij veroordeeld tot een werkstraf. De rechter oordeelde hem een bedrieger, omdat hij opleidingsgelden had gebruikt om zijn faillissement af te wenden; iets dergelijks heeft Henk Krol, ex. fractievoorzitter van 50+ ook gedaan om het faillissement van de Gay-krant te voorkomen, maar dan met pensioenpremies. Mijn vader wilde niet weggezet worden als bedrieger en ging in hoger beroep tegen de uitspraak en werd vervolgens veroordeeld tot hechtenis. Zo is de cirkel rond;: mijn vader lijkt zijn leven te eindigen zoals het begon: in gevangenschap. Ditmaal heeft mijn vader zich als tekortgedane fantast zelf de das om gedaan. Dit gedrag lijkt inherent te zijn aan ondernemers, die te lang niet worden tegengesproken: ze worden heer en meester in hun eigen universum, hun onderneming, hun bedrijf, inclusief onderdanen, in de vorm van personeel: Mijn vader, Henk Krol, Kees Verhoeven van Albert Heijn. Er zijn talloze voorbeelden, spreekwoorden over en psychologische onderzoeken naar gedaan.

Vervangende hechtenis
Vier oud-leerlingen die financieel door hem zijn gedupeerd, hebben mijn vader laten oppakken om hen zo te dwingen om in zijn zakelijke en privë-omgeving op zoek te gaan naar geld om zijn schulden te delgen. Dit is juridische gijzeling in de vorm van vervangende hechtenis. Het begrip vervangende hechtenis is misleidend, want in tegenstelling tot een verkeersboete, blijven de schulden gewoon bestaan na vrijlating.

Als ik bij hem op bezoek ga, redeneert hij voortdurend in een cirkel: van het complot dat staatssecretaris Teven persoonlijk tegen hem gesmeed heeft, diens onwil om mijn vaders miljoenenvordering te voldoen in het kader van door de Overheid geschonden patenten. Hoe niet hij, maar zijn ex-leerlingen die hem hebben laten oppakken gestraft zouden moeten worden. Hoe onrechtvaardig hij behandeld ie en hoe onterecht het vonnis.

Ondertussen heeft hij hele dagen de tijd om het gerechtelijk vonnis vol te kliederen met minutieuze aantekeningen en opmerkingen, zonder dat hij eruit begrijpt dat hij een jaar moet zitten. Dat moest mijn broer hem uitleggen, maar het leek niet tot hem door te dringen. Hij zit te veel verstrikt in zijn eigen waarheid om naar anderen te kunnen luisteren. En dat staat los van het herseninfarct dat zijn begrip niet tem goede komt. Hij heeft zich vastgebeten in het idee dat hij onterecht vast zit; dat de rechter anders heeft beschikt, doet er niet toe.

Paspoortpatent
Hij droomt over het aanpakken van staatssecretaris Fred Teven die een patent van hem geschonden zou hebben. Dat moet tot een miljoenenclaim leiden. In dit geval van een identificatiechip in paspoorten. Dat er 550 van dergelijke patenten zijn geregistreerd, deert mijn vader niet. En hij heeft het voortdurend over de familieband met Koning Willem de derde. Het klassieke voorbeeld van de twee gekken in het gesticht. Zegt de gek tegen de fantast: “Weet je dat ik Napoleon ben?” “Dat is je aan te zien”, zegt mijn vader: “Je bent klein van stuk en je hebt een steek op”. “Maar ik ben directie familie van Koning Willen III” Zegt de gek: “Het is je niet aan te zien”. Mijn vader: “Hoeft ook niet. Maar ik weet dat mijn opa de beste vriend van de koning was”. Bij een dergelijke redenering past terughoudendheid. Want hoe uit een vriendschap tussen twee mannen een familieband kan ontstaan, kan ik zelf wel verzinnen. En in zijn verwardheid en vergeetachtigheid, begint hij er elk bezoekuur weer over. Mijn tegenwerpingen dat bijna alle Nederlanders in directe lijn van Koning Willem III afstammen, omdat hij zich een slag in de rondte schijnt te hebben geneukt en dat ik de Koninklijke erfenis met belangstelling tegemoet zie, temperen zijn enthousiasme niet.

En hij vraagt steeds maar mijn moeder:’op de automatische piloot lijkt het wel. Mijn antwoord doet er niet toe. “Hoe is het met ma?” Vroeger noemde hij tenminste nog haar voornaam. Het antwoord dringt niet tot hem door en hij stelt de vraag tijdens elk bezoekuur wel een keer of drie. Maar zijn vergeetachtige gevraag en mijn verplichte antwoorden voorkomen dat er stiltes vallen.

Het einde
Op 11 juli 2018 eindigde het levensverhaal van een narcist in extremis, al besefte ik dat pas naderhand.

Share →

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Maak de som af (anti-spam): * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.